Het verstrijken van de tijd gedraagt zich in de eerste dagen van een nieuw jaar nog opdringeriger dan anders. Al laat je de kerstboom tot diep in januari staan, het besef dat we weer een jaar verder zijn en dat de prettig bedrieglijke glinstering van december achter ons ligt is onontkoombaar. Mijn moeder was geen liefhebber van kerstbomen. Al op 2 januari, vroeg in de ochtend, belandde het vrijwel naaldloze geraamte op de stoep. De stal mocht nog een paar dagen op het vierkante bijzettafeltje blijven staan. Om precies te zijn: tot 6 januari, het feest van de Openbaring van de Heer, beter bekend als Driekoningen. Twee weken na de geboorte hadden de drie wijzen na een lange reis uit het oosten eindelijk de stal gevonden en dan was het wel zo aardig als het bouwwerk inclusief kindeke niet al weer opgevouwen in een doos op zolder lag, was waarschijnlijk de redenering. De vraag waarom die koningen dan wél al vanaf 23 december samen met de herders bij ons onder de kerstboom hadden rondgehangen, werd niet hardop gesteld, laat staan beantwoord.

Hoewel ons dorp een behoorlijk katholieke enclave was in het overwegend protestantse Westland, was er van het rijke Roomse leven weinig te merken. Mijn moeder deed erg haar best om nog een paar zuidelijke tradities overeind te houden te midden van het in haar ogen in cultureel opzicht niet al te verwende tuindersvolk. Driekoningen was er één van. Ze doste haar kinderen uit als rondreizende edelen (met behulp van een aangebrande kurk kreeg Balthasar een zwart gezicht, daar deed nog niemand moeilijk over) en liet ze langs de deuren gaan. Niet om goud, wierook en mirre uit te delen, maar om een liedje te zingen in de hoop op wat snoep. Armoedzaaiers van koninklijken bloede. Thuis bakte ze een platte, ronde koek waarin een koffieboon verstopt zat. Wie op de boon stuitte, was de rest van de dag ‘de koning’. Die titel beloofde verstrekkende bevoegdheden, maar wat die in de praktijk inhielden werd nooit duidelijk.
Later, toen ik nog als enige van de vijf kinderen thuis woonde, kreeg het allemaal iets treurigs. In je eentje bij de buren aanbellen met een laken over je schouders en een papieren kroon op je hoofd lag niet voor de hand. En omdat ik twee derde van de Driekoningenkoek opat, was de kans vrij groot dat ik de gelukkige was die op enig moment die koffieboon tussen mijn kiezen hoorde knarsen. Hoera.
Na het avondeten, de koek en de koffie ging ik naar mijn kamer om mijn huiswerk nog een dagje uit te stellen. Wanneer ik de volgende ochtend beneden kwam, lag op het bijzettafeltje weer gewoon het Perzische kleedje met daarop de glazen asbak.





