nieuwbouw

nieuwbouw

Ik was vandaag met mijn hond in het huis waar ik werd geboren. Voordat ik naar binnen ging, liepen we een stukje de straat uit, langs een sloot die daar vroeger niet was. Waar nu het water is, lag vroeger ons voetbalveld. Tegenover De Nieuwbouw. Mijn vriendjes en ik zagen De Nieuwbouw met lede ogen verrijzen. Een ongeordend terrein met bosjes vol zelfgemaakte hutten en door onze fietsen uitgesleten paadjes moest ervoor wijken. Ik had gehoopt dat er houthakkers met zagen en bijlen aan te pas zouden komen. In plaats daarvan trok een bulldozer in een paar uur tijd al het groen uit de grond en veegde het op een hoop. ‘Daar gaan de boompies’, zei een buurman, die er onbewogen naar stond te kijken. Even vermoedde ik dat hij iets zou doen, maar hij bleef staan, met zijn handen in zijn zakken. Ik dacht aan de oorlog. Die had ik niet meegemaakt, maar ik dacht er toch aan. De eerste maanden nadat de bosjes waren opgeruimd, was De Nieuwbouw nog steeds een speelterrein, maar nu met heel andere mogelijkheden dan voorheen. Wanneer er werd gewerkt, keken we van een afstandje naar de vrachtwagens die af en aan reden, naar de draaiende cementmolens en naar de metselende metselaars. Specie die tussen bakstenen vandaan kloddert en met een troffel wordt weggeveegd; ik kan nog steeds geen moorkop of tompouce eten zonder eraan te denken. Aan het eind van de middag en in het weekend namen wij bezit van de bouwplaats. Dat mocht niet, maar de verlokkingen van een verlaten stad waren onweerstaanbaar. We klommen op steigers, lieten ons zakken in...