the claws of the mountain lion

A minivan full of backpackers is driving south, high above the Urubamba river. It’s dark on the road, it’s dark in the van. Everyone’s asleep. Almost everyone. At the far right of the middle seat row somebody who is way too old to call himself a backpacker without sounding pathetic, stares out the window. He looks across the valley, where the snowy peaks of the Andes are lit by more than half a moon, beneath a starry sky as if everything is for free. By the time you’re past the age of the backpackers, all this sleeping is no longer necessary. You prefer to think of the mountain passes, cliffs and slippery rocky paths you have survived over the last few days. You prefer to think of Alex, guide, spiritual leader, Marley fan and king of the Quechua hipsters, who could easily walk a few miles with two backpacks instead of one, if necessary. Of Helmuth from Venezuela, who could make an ear infection disappear by means of a well-timed drop of rum (Santa Teresa 1796, of course) in the muña tea. A couple of years ago he was in Europe and visited the stadium of his favorite club Bayern München, for the first time – “I liked it better than the Eifel Tower.” Of Helmuth’s girlfriend Maria, a beautiful and elegant girl who looked tired after a few hours of walking, but once in the mountains left everyone behind. Earlier that day she had requested to become the adopted daughter of the man who is now looking out at the mountain tops that in the eyes of the Inca resembled the claws of a mountain lion. Of Nathan and Emily from Minnesota, whose inexhaustible supply of Ibuprofen managed...

de klauwen van de poema

Een minivan vol backpackers rijdt hoog boven de Urubamba-rivier. Het is donker op de weg, het is donker in het busje. Iedereen slaapt. Bijna iedereen. Rechts achterin kijkt iemand die veel te oud is om zichzelf nog een backpacker te kunnen noemen zonder belachelijk te klinken naar buiten. Naar de overkant van de vallei, waar de besneeuwde toppen van de Andes verlicht worden door meer dan een halve maan, onder een sterrenhemel alsof het niet op kan. Als je de leeftijd van de backpackers gepasseerd bent, hoeft al dat slapen niet meer zo nodig. Dan denk je liever aan de bergpassen, afgronden en glibberige rotspaden die je de afgelopen dagen hebt overleefd. Aan Alex, gids, spiritueel leider, Marley-fan en koning van de Quechua-hipsters, die als het nodig was ook best een stukje met twee rugzakken kon lopen. Aan Helmut uit Venezuela, die met een welgemikte scheut rum (Santa Teresa 1796) in de muñathee zelfs een ooronsteking kon laten verdwijnen. Hij was een paar jaar geleden in Europa en bezocht voor het eerst het stadion van zijn favoriete club, Bayern München; “I liked it better than the Eifel Tower.” Aan Helmuts wederhelft Maria, een mooi, fragiel meisje dat er vermoeid uitzag, maar eenmaal in de bergen iedereen moeiteloos achter zich liet. Ze wilde de geadopteerde dochter worden van de man die nu zijn blik laat gaan over de bergtoppen waarin de Inka’s de klauwen van een poema dachten te zien. Aan Nathan en Emily uit Minnesota, die met een onuitputtelijke voorraad Ibuprofennetjes de al op de eerste ochtend gescheurde enkelband van de dochter onder controle wisten te houden. Aan de middag die aan...

nieuwe vrienden

Een maand of twee geleden had ik het over heimwee, een oude vriend van me. Zijn bezoekjes zijn niet iets om naar uit te kijken. Sterker nog; hij komt altijd ongelegen. Ik schreef toen dat je aan heimwee niets dan spijt en schulden overhoudt. Deze week heb ik me gerealiseerd dat dat niet helemaal waar is. Heimwee is méér dan een oude vriend van wie je zou willen dat hij voor eens en voor altijd wegbleef. Hoe onuitstaanbaar hij ook is, hij is óók in staat om je te introduceren bij nieuwe vrienden die je voor geen goud zou willen missen. En die je je hele leven wilt blijven tegenkomen. Ik loop al een paar dagen rond in een indrukwekkend land en een fabelachtig mooie stad, maar ik kijk vooral naar de dochter en haar nieuwe vrienden. Ze is de hele dag in het aangename gezelschap van zelfkennis, zelfvertrouwen en zelfkritiek. Van relativeringsvermogen, kennis, doorzettingsvermogen en hardheid. En van een gloednieuwe, prachtige taal. Heimwee komt vast ook nog wel eens langs. Ik hoop dat ze ‘m de volgende keer weer net zo hartelijk begroet als in januari. Om ‘m vervolgens de deur te wijzen. Dat dan weer wel....

doordeweekse middagen

De kleine bus zwoegt zich omhoog en laat Cusco langzaam achter en onder zich. Het is niet moeilijk om je de Spaanse garnizoenen voor te stellen die over de oude klinkers van de stad marcheren. Die zijn wel wat gewend en kunnen een dieseldampen brakend minibusje dus ook wel aan. Als we hoger klimmen, maken de klinkers plaats voor betonplaten en afbrokkelend asfalt. En de bebouwing langs de omhoog slingerende weg verandert van veel Spanje en een beetje Inca in hedendaags Peru. Dat betekent golfplaten, achteloos gebouwde stenen muren en staketsels die de indruk geven dat het allemaal nog eens moet worden afgebouwd. Het decor is ontluisterend, op het eerste gezicht. En de tientallen zwerfhonden maken het er niet beter op. Er zijn bushaltes, maar daar trekt vrijwel niemand zich iets van aan. Overal en nergens stappen mensen in en het wordt al snel drukker in de bus. We zijn onderweg naar Hermanos de Ayar, een wijk die van zo’n 500 meter hoogte op Cusco neerkijkt. Klinkt pittoresk, is het niet. In deze buurt probeert de dochter kinderen te begeleiden die in een eenvoudig gebouwtje dat vrolijk afsteekt bij de omgeving na school hun huiswerk komen maken. Ze is hier nu ruim een maand, maar de kinderen die we op straat tegenkomen en die nu in de bus stappen begroeten haar alsof ze haar al jaren kennen. Ze omhelzen, kussen en knuffelen erop los. En zodra ze horen dat ik de vader van de dochter ben, valt mij onmiddellijk dezelfde eer te beurt. Een doofstom meisje dat met haar oudere zus instapt, klimt bij de dochter op schoot. Ik kijk naar het meisje en naar de armoede die aan me...

sol

Maart is nog regentijd in Peru, dus ik was er niet van uitgegaan dat ik met een bruinverbrande kop thuis zou komen. Maar op de eerste ochtend hier schijnt de zon uitbundig. Op de prachtige binnenplaats schuif ik een stoel die nog net in de schaduw staat een stukje naar voren. Ik laat me in het zonlicht zakken als een vermoeide reiziger in een warm bad. Een kwartier later zit ik weer in de schaduw. Het duurt even voordat ik begrijp wat er aan de hand is. De regering van buurland Bolivia heeft het niet zo op westerlingen. Daar pesten ze toeristen óók door de zon moedwillig de verkeerde kant op te laten draaien, maar dat gaat ze nog niet ver genoeg....

soles

Hadden wij dat nog maar, van die prachtige munten en bankbiljetten die helemaal alleen van je eigen land zijn. Dan ging het met onze economie vast net zo goed als met die van het mooie Peru. Het is wel te hopen dat iedereen in Nederland na de terugkeer naar de gulden ook weer zo opgeruimd en vrolijk wordt als hier....

¡taxi!

Na keiharde onderhandelingen weet ik vanochtend een taxichauffeur zover te krijgen om mij voor 40 soles van Alejandre Velasco Astete –scariest airport in the world– naar het centrum van Cusco te brengen. Kijk, daar heb ik toch mooi profijt van de talloze verre reizen die ik in mijn leven heb gemaakt. Ik laat me niet meer als een onnozele toerist afzetten. Om het berovingsgevaar te verkleinen noteer ik demonstratief het nummer van de taxi en de rit kan beginnen. Iets meer dan tien minuten later stopt de auto voor het hotel. Toegegeven, ik had op wat meer waar voor mijn geld gehoopt, maar ik vind de bedongen prijs nog altijd alleszins redelijk. Een paar uur later heb ik de verloren dochter weer dichtbij me. Ik begin aan het idee te wennen dat je op 3360 meter hoogte bovenaan de trap even op adem moet komen en dat je moet kiezen tussen lopen of praten. Allebei tegelijk gaat niet. Dat is een beetje hinderlijk, maar de dames van de vuilnisdienst, die de stad op deze stralende ochtend als een vrolijk en vreedzaam invasieleger overspoelen, kunnen er wel om lachen. De dochter en ik praten over haar leven hier, over haar werk en haar woning en over wat ze zoal uitgeeft. Voor een taxi van de stad naar het vliegveld betaalt ze zes soles. Ik haal diep adem en moet meteen weer even gaan...

nootjes

Ik heb een plaats achterin het vliegtuig gereserveerd. Ik zit bij het raam en de stoel naast me is nog leeg. Ook op de rij vóór me is alleen de stoel bij het raam bezet. Ik heb ruim de tijd om me te installeren voordat de twee nog ontbrekende passagiers verderop in het vliegtuig in zicht komen. Ik heb mijn boek al opengeslagen als ik zie dat de eerste een jongeman uit Japan is.  Of uit China of Korea. Ik ben misschien een Europeaan, maar nog lang geen wereldburger. Achter hem loopt een uitstekend geconserveerde vrouw van een jaar of veertig. Na een paar uur op een Spaanse luchthaven hoef je niet meer op te kijken van donker haar en een zwoele oogopslag, maar ik doe het toch. Haar zoekende blik glijdt door het gangpad, op zoek naar een lege stoel en nieuwsgierig naar de onbekende met wie ze de komende twaalf uren gaat doorbrengen. Ik zet nog net op tijd mijn leesbril af. Met een zware tas door een smal gangpad lopen ziet er van een afstandje uit als een galop in slowmotion. De volbloed uit Peru -ik doe een gok- voert die verbazend gracieus uit, maar over de Aziatische deelnemer vóór haar is de dressuurjury minder te spreken. Ondertussen delen de stewardessen kleine plastic zakjes met nootjes uit. Zit daar een idee achter? Is het de bedoeling dat we kunnen slikken om de druk op de trommelvliezen te verlichten? Of wil Iberia dat we snel dorst krijgen tijdens deze intercontinentale vlucht, zodat we straks zonder aarzelen voor ieder drankje een schandalig bedrag neertellen? De galop loopt ten einde en de...

de sjerp van peru

Het WK van 1970 in Mexico is de geschiedenis ingegaan als het mooiste voetbaltoernooi ooit. Dat had natuurlijk te maken met het spel van Brazilië en de namen van de Braziliaanse voetballers. Pele. Tostao. Jairzinho. Maar Mexico70 was vooral het eerste toernooi waarvan de wedstrijden wereldwijd rechtstreeks werden uitgezonden en dat hielp natuurlijk mee aan de legendarische status van het evenement. Het Nederlands Elftal schitterde door afwezigheid, zoals in die jaren gebruikelijk was. Feyenoord en Ajax wisten met vrijwel uitsluitend Nederlandse spelers weliswaar de ene na de andere Europcupfinale te bereiken en meestal ook nog te winnen, maar het zou tot 1974 duren, alvorens Oranje zich plaatste voor een eindtoernooi; het WK in West-Duitsland, dat net als in de meeste vaderlandse huishoudens bij ons tot uitzinnige taferelen leidde. Vanzelfsprekend was dat niet, want al het spektakel in Mexico, slechts vier jaar daarvoor, ging aan huize Van Mieghem nog volstrekt onopgemerkt voorbij. Ik kan me niet herinneren dat ik er één minuut van heb gezien. Als mijn vader en moeder al wisten dat de wedstrijden op televisie te zien waren, zullen ze het zorgvuldig hebben verzwegen. Ik zag dus geen bewegende beelden van het WK, maar ik had wel een album waarin alle deelnemende teams waren afgebeeld. En daarin stond het meest oogverblindende voetbalelftal dat ik ooit had gezien. Tussen de degelijke effen rode, witte en gele shirts was het gevoelige lichtblauw van Uruguay al bijna buitenaards, maar niets haalde het bij het nationale elftal van Peru. Een gezelschap mannen die in leeftijd varieerden van verontrustend jong tot middelbaar, in huidskleur van zuid-Europees blank tot indrukwekkend zwart en in gemoedstoestand...