apus apus

Sinds een paar weken krijg ik regelmatig een e-mail van Adri de Groot uit Benthuizen. Die berichten stuurt hij niet ongevraagd, ik heb mij bij mijn volle verstand opgegeven als e-mailabonnee op zijn vogeldagboek. Hoewel hij zich naar eigen zeggen nooit ver van huis begeeft, krijgt Adri elke paar dagen een vogel voor de lens van zijn camera die ik nog nooit heb gezien en waar ik in veel gevallen ook nog nooit van heb gehoord. Van de vliegbeesten die hij waarneemt, maakt hij van tijd tot tijd fraaie foto’s. En haarscherp, zelfs wanneer het gevogelte in kwestie met duizelingwekkende vaart door het zwerk scheert. Zulke foto’s zijn op zichzelf al meer dan genoeg om mijn bewondering te oogsten. Ik doe zelf ook wel eens een poging een vogel vast te leggen, maar dat levert zelden meer op dan een impressionistisch werkje dat wel snelheid suggereert, maar waarop alleen met veel moeite een levend wezen te herkennen is. Hoewel, ik heb een keer een heel behoorlijke buizerd gefotografeerd. Maar dat terzijde. Wat ik vooral verbluffend vind, is dat Adri al die vogels schijnbaar moeiteloos bij naam weet te noemen. Ik kan zelf een koolmees van een pimpelmees onderscheiden en ik zie het verschil tussen een reiger en een ooievaar, maar bij rotganzen, rietganzen, kolganzen en brandganzen wordt het me al snel te veel. De vogelaar uit Benthuizen weet alles wat rondfladdert feilloos te rubriceren. Blauwborst en beflijster, kleine zwaan en ortolaan, braamsluiper en boomkruiper, steltkluut en roodhalsfuut. Als hij het niet onomstotelijk zou bewijzen met het ene na het andere prachtige portret, zou je nog gaan denken dat hij de soorten verzint waar je bij staat. Een jaar of zes geleden werd ik op mijn werkkamer op zolder gestoord...
feminisme

feminisme

Mary Doyle Keefe is dood. Ze is 92 jaar geworden. Meer dan 70 jaar geleden stond Mary model voor Rosie the Riveter, een schilderij van Norman Rockwell dat op 29 mei 1943 op de cover verscheen van The Saturday Evening Post. Rosie werd het symbool voor de duizenden Amerikaanse vrouwen die in de oorlogsjaren massaal mannenwerk gingen doen. De industrie moest blijven draaien terwijl honderdduizenden mannen in Europa en Azië vochten. Het bleek niet het begin van een nieuwe maatschappij waarin vrouwen en mannen gelijk waren; toen de nazi’s eenmaal verslagen waren, keerden de heren terug naar de fabriekshal en de dames naar het aanrecht. Een paar jaar geleden gaf ik alle dochters een poster met daarop de afbeelding van Rosie en haar beroemde motto: We Can Do It! Een lollige aansporing om direct na school aan je huiswerk te beginnen en het ver te schoppen in een maatschappij, waarin ongelijkheid tussen mannen en vrouwen gelukkig al lang niet meer bestaat. Goed opgevoed als ze zijn, plakten ze de poster braaf aan de deur van hun kamers. Feminisme had in mijn jeugd een slechte naam, althans in mijn directe omgeving. In het woord klonken tuinbroeken door. Kortgeknipt haar, ongeschoren oksels, gebrek aan make-up. Wat ze precies wilden wist ik niet, maar ik hield er ernstig rekening mee dat ze vooral niet wilden wat ik nu juist hoopte dat alle meisjes en vrouwen wel wilden. Gelukkig word je later vader van dochters en kom je tot nieuwe inzichten. Eigentijdse, weldenkende mensen weten dat feminisme inmiddels een modern en aantrekkelijk gezicht heeft en dat het onderhand toch echt hoog tijd wordt dat meisjes dezelfde kansen krijgen als jongens. Dacht ik. Tot ik onlangs de dochters vroeg of zij zichzelf beschouwen als feministen. Tot...

om

Onze eerste ontmoeting vond zeker vijfentwintig jaar geleden plaats. Ze was toen al hoogbejaard. Ik reed het dorp in en ze stond me bij de brug op te wachten. Op zichzelf niets bijzonders, ze stond daar altijd iedereen op te wachten, maar voor mij was het nieuw. Ik keek haar in het voorbijgaan even aan en verbaasde me over de vanzelfsprekendheid waarmee ze daar stond. Na de eerste keer raakte ik er snel aan gewend en op den duur viel ze me niet meer op. Ik ging voorbij zonder te groeten, soms zonder haar te zien zelfs. Jaren later gingen we wonen in een huis dichtbij de brug waar ze nog steeds dagelijks te vinden was. Nu kwam ik haar vooral tegen wanneer ik met de hond wandelde. Ik bleef soms even staan en leerde haar wat beter kennen. Hoewel je er van op aan kon dat ze er zou zijn, op haar vaste plek, wist je nooit precies wat je te wachten stond. Soms zwaaide ze al uit de verte naar je, dan weer keek ze je bewegingloos aan. Altijd enigszins uit de hoogte, soms bijna dreigend. Van haar kon ik het hebben. Als je zoveel hebt gezien en meegemaakt, heb je recht op slechte manieren. Een paar jaar terug hoorde ik de eerste verontrustende berichten over haar gezondheid. Niet van haar zelf, zij zweeg er liever over. Geen slapende honden wakker maken. Zo lang je het negeert, is het er niet. Mijn idee. De mensen die haar beter kenden dan ik, durfden de problemen wel te benoemen.  Ze maakten zich zorgen en lieten dat luider en luider horen. En met toenemend enthousiasme, leek het wel. Steeds zwakker. Aflopende zaak. Gevaar voor haar omgeving. Dat werk. Vanochtend viel ze om. Niet...

afdingen

Het woord afdingen hoorde ik voor het eerst nadat mijn ouders in 1978 terugkeerden van een verblijf in Nieuw-Zeeland. Ze hadden daar de jongere broer van mijn moeder bezocht die met zijn vrouw in 1955 was geëmigreerd. In de sobere jaren vijftig was vliegen nog vrijwel onbetaalbaar en je moest er rekening mee houden dat de landverhuizing een min of meer definitief afscheid inhield. Voor mijn oom en tante liep het anders. Ze boerden goed en konden al in 1969 voor het eerst terugkeren naar het vaderland, waar ze ons vol trots hun inmiddels talrijke kinderschaar presenteerden. Het stichten van een groot gezin was een van de vele Brabants-katholieke gebruiken die ze hadden meegenomen naar de andere kant van de aardbol. De reis van mijn ouders, in 1978, duurde zes weken. Ze kwamen thuis met veel verhalen, maar het vaakst en het meest enthousiast vertelde mijn vader over zijn prestaties in Singapore, waar ze een tussenstop hadden gemaakt en hij de kooplieden op de plaatselijke markt stevig de duimschroeven had aangedraaid. Tijdens zijn zoektocht naar zijden kamerjassen, houten draken, gelakte waaiers en andere waardevolle memorabilia kreeg hij eindelijk de gelegenheid om de belangrijkste van alle in Nederlands-Indië verworven vaardigheden dertig jaar na dato weer eens in praktijk te brengen. Afdingen. Terug in Nederland, waar alle prijzen door de overheid worden vastgesteld en het bij wet verboden is daaraan te tornen, deed hij uitgebreid uit de doeken welke technieken er zoal bij komen kijken, bij dat afdingen. Ongeïnteresseerd slenteren. Misprijzend kijken. Hoofdschudden. Spottend lachen. Wegwerpgebaar maken. Schouders ophalen. Weglopen. De successen waren vanzelfsprekend aanzienlijk. Het was een vermoeiende reis geweest, maar het verblijf in Singapore had de batterij weer helemaal opgeladen. Het...

vleierij

De luchthaven van Cusco heet Aeropuerto Internacional Alejandro Velasco Astete. Ik hecht eraan dat bij iedere gelegenheid volledig uit te spreken. Ook tegen de taxichauffeur: ‘Son quanto minutos al Aeropuerto Internacional Alejandro Velasco Astete?’ De mevrouw die op Aeropuerto Internacional Alejandro Velasco Astete mijn bagage incheckt is al net zo mooi als de naam van het bedrijf waarvoor ze werkt. Ze vraagt me vriendelijk of ik voor de eerste keer ‘en el Peru’ was. Ik antwoord bevestigend en complimenteer haar met haar prachtige land en de lieve mensen die er wonen. Nu is mijn uitspraak van het Spaans weliswaar indrukwekkend, maar voor je het weet maak je zo’n oogverblindende dame door je beperkte woordenschat en gebrekkige beheersing van de grammatica per abuis uit voor smerige rothoer of je brengt haar landgenoten ongewild in verband met onorthodoxe seksuele strapatsen. Geen risico’s nemen dus; voor vleierij nemen we onze toevlucht tot het Engels. Als beloning krijg ik een glimlach om stil van te worden en een plaatsje bij het raam op de lange vlucht van Lima naar Madrid. Nog steeds in Cusco kijk ik met een laatste kopje cocathee voor me nog eens naar het landschap rond Aeropuerto Internacional Alejandro Velasco Astete. Net als een week geleden is het uitzicht hier niet bijzonder, maar ik weet nu wat er achter de heuvels ligt. Wat een verademing om een week lang de uitstekend georganiseerde Europese ontevredenheid te hebben kunnen verruilen voor de blije anarchie en onbekommerde chaos van de Quechua’s....