om de hal te zien

Ik ging naar Rotterdam om de hal te zien. Ik was zo’n beetje de laatste Nederlander die ‘m nog niet met eigen ogen had aanschouwd, de Markthal. Yesterday’s news. Maar we moesten er toch echt een keer naar toe, vond iedereen. En zij ook. Vooruit. Dan maar vandaag. Naast het veelbesproken gebouw stonden we stil voor het stoplicht. Ik keek opzij en werd er niet vrolijk van. Dat zegt niets, want als het regent, is ook de Dom van Florence maar een sombere kolos. (Chrysler Building niet, maar dat is een ander verhaal.) Het kleurrijke plafond van de Markthal had ik in de media natuurlijk al talloze keren voorbij zien komen. Nu ik tussen de regendruppels door naar het strenge, loodgrijze gebouw keek, vroeg ik me af waarom dat levensmiddelendéfilé eigenlijk niet aan de buitenkant kon worden voortgezet. Ik hoorde toekomstige Rotterdamse ruimtetoeristen al vol trots zeggen dat je zelfs vanuit de Space Shuttle de Markthal ken zien leggen. Misschien was de projectontwikkelaar bang dat er met zo’n spectaculair buitenbeeld niemand meer belangstelling zou hebben voor de handelswaar die binnen aan de man gebracht moet worden. Of de Welstandscommissie vindt zelfs in de Maasstad niet álles mooi, dat kan ook. Eenmaal binnen draait alles om eten en drinken. In alle denkbare verschijningsvormen, want toen ik onder het gebouw uit de auto stapte, stond ik bijna in een indrukwekkende plas versgeproduceerd braaksel. Mocht iemand iets bijzonders willen maken van het plafond van de parkeergarage, de ideeën lagen hier voor het oprapen. In het trappenhuis had nog iemand een moedige poging gedaan ons iets mee te geven van de historie van de Maasstad. Helaas, we hadden nu even geen tijd voor vitrines met roestige voorwerpen en teksten over bombardementen – we moesten...

nepoom

De jaren zestig van de vorige eeuw gaan niet de geschiedenis in als een bloeiperiode in de vaderlandse woningarchitectuur. Meer haast dan fantasie. Ook het huis waarin ik opgroeide werd een jaar vóór mijn geboorte slagvaardig en enthousiast uit de grond gestampt, zonder tijd te verspillen aan fraaie lijnen en pittoreske ornamenten. De snelheid waarmee de woningen verrezen, had onder meer als gevolg dat de naam van het verantwoordelijke bouwbedrijf bij ons in huis al snel het synoniem werd voor muren, kozijnen en hang- en sluitwerk van dubieuze kwaliteit. Het land waarop ze woonden was weliswaar niet op het water of op de inboorlingen veroverd, maar de eerste bewoners die zich in het blok van zes huizen vestigden, moeten zich toch pioniers hebben gevoeld. En omdat mensen in een wereld vol onbekende gevaren nu eenmaal graag één front vormen, werden al snel de fundamenten gelegd voor een hecht familiegevoel. Wij kregen de opdracht onze buurmannen en buurvrouwen niet met meneer en mevrouw aan te spreken, maar met oom en tante. Naast ons woonden oom Ab en tante Joke en daarnaast oom Bram en tante Willy. Een experiment dat onze buurt en onze buren uniek maakte. Dacht ik. Pas jaren later begreep ik dat zo ongeveer iedereen die in naoorlogs Nederland groot werd, een jeugd had vol tantes en ooms die hun intieme aanspreektitel uitsluitend dankten aan het feit dat ze toevallig naast al die nepneefjes en -nichtjes woonden. Oom Bram is nu 92 en deze ochtend heeft hij met zijn 17 jaar oude Ford een kleine 100 kilometer afgelegd om op verjaardagsvisite te gaan bij mijn moeder, die pas 91 is. Ik ben om dezelfde reden naar de voormalige voorpost afgereisd. Omdat ik nog iets uit de auto moest...

dorie

Geen idee waar ik aan moet denken, op de vierde mei om acht uur ’s avonds. Terwijl de oorlog toch heel dichtbij is; één springlevende generatie verderop. Mijn vader heeft ‘m enthousiast en intensief beleefd, inclusief een langdurig verblijf in de hoofdstad van het Reich. Maar omdat hij 70 jaar geleden heelhuids en betrekkelijk onbekommerd weer naar huis wandelde, liet ’40-’45 in ons huis niet de sporen na die in veel andere gezinnen nog heel lang te vinden en te merken waren. Dat gebrek aan voorouderschade speelt mij tijdens die twee minuten waarschijnlijk parten. Of ik heb een concentratieprobleem, dat kan natuurlijk ook. Op een steenworp afstand van mijn huis liggen in het plaveisel een paar kleine, vierkante stenen met een bovenkant van messing, waarin namen en jaartallen te lezen zijn. De Duitse kunstenaar Gunter Demnig, die ze er heeft neergelegd, noemt ze Stolpersteine. Ze zijn op duizenden plaatsen in Europa te vinden, altijd bij huizen van mensen die het einde van de oorlog niet hebben gehaald. Stolpersteine. Struikelstenen. Je struikelt er niet letterlijk over, ze vallen zefs nauwelijks op. Demnig laat je alleen struikelen als je dat zelf wilt. Ik weet bijna zeker dat de meeste mensen er dagelijks langs of overheen lopen zonder te weten dat ze er liggen. Precies zoals het moet; de geschiedenis is er alleen voor wie haar wil zien. Dorie Blau was drie jaar oud en blijkbaar was het mooi geweest. Ik vind haar terug op de website Joods Monument. In zwart-wit, uiteraard. Ik zal vanavond om acht uur eens proberen of ik me haar in kleur kan voorstellen. Keep me in your heart for a while, zong Warren Zevon kort voordat hij doodging. Een bescheiden...