plaatjes draaien

Op zondagmiddag draai ik vinyl. Daarmee bedoel ik niet dat ik iedere zondagmiddag van 1 tot 6 naast mijn platenspeler zit, maar als ik plaatjes draai is het bijna altijd zondagmiddag. Vandaag Closing Time van Tom Waits, uit 1973. Ik zou graag zeggen dat die lp al ruim veertig jaar van mij is en dat ik ‘m voor de honderdzoveelste keer draai. Maar dat is niet zo. Ik draai de plaat vanmiddag voor het eerst, nadat ik ‘m onlangs -op onrechtmatige wijze, maar daarover een andere keer- aan mijn collectie heb toegevoegd. Closing Time is Waits’ debuutalbum en het is een meesterwerk. Dat ik het desondanks decennialang grotendeels over het hoofd heb gezien, is zonder meer verwijtbaar, maar er zijn verzachtende omstandigheden. De belangrijkste is dat ik negen was toen het album uitkwam. De meeste blaam treft zonder twijfel mijn familie. Mijn oudste broer, zus en broer waren in maart 1973 respectievelijk 18, 17 en 15. En toch stond Closing Time in mijn ouderlijk huis niet in de gezamenlijke platenkast. Jesus Christ Superstar van Andrew Lloyd Webber, ja, die wel. En Bridge Over Troubled Water van Simon & Garfunkel, die ook. Het leven is niet zonder hindernissen. Nu ik erover nadenk, ging er in die jaren wel meer mis. In 1969 landde de Apollo 11 op de maan. Diep in de nacht, maar ook diep in de zomervakantie. Maakte niks uit, aan de Rozemarijn draaide iedereen zich nog eens lekker om. In 1971 raakte Muhammed Ali in Madison Square Garden in een legendarisch gevecht zijn wereldtitel zwaargewicht kwijt aan Joe Frazier. Alle jongens met grotere broers zaten ’s nachts natuurlijk te kijken. Bijna allemaal. Tussen 1964 en 1973 was...

ouder

Op 14 februari koop ik nog wel eens bloemen. En niet omdat het Valentijnsdag is. De laatste jaren beginnen de bloemisterijmeisjes wat meewarig te kijken bij het inpakken van de rozen. Er zit blijkbaar toch een leeftijdsgrens aan die Valentijnsgekte....

brug

Ik herinner me maar weinig van mijn tijd in Leiden. Die tijd duurde ook niet zo lang, maar toch. Tijdens de ElCid-week logeerde ik bij mijn zus, die toen een paar kilometer buiten de stad in een klein huisje aan de Vliet woonde, verscholen tussen riet en bomen. De mensen vragen mij wel eens bezorgd naar de dochter die helemaal alleen in Zuid-Amerika is. Maar hoe hebben mijn ouders het in godsnaam goed kunnen vinden dat hun enige dochter dáár woonde, moederziel alleen met haar kat? Op een middag in de introductieweek gaf een hoogblonde jongeman die met mij in het ElCid-groepje zat, mij bovenop een van de bruggen over het Rapenburg een enorme klap op mijn schouder en riep met een onontkoombaar Minerva-accent: “Paul, kerel! Het studentenleven lacht je toe. Grijp het met beide handen aan!” Het enige dat ik kon bedenken was: wegwezen!...