In 1898 verhuurde Baron Arnoud van Brienen van de Groote Lindt een klein deel van zijn landgoed aan een clubje voetballers. Om te bepalen waar het voetbalveld moest komen, liet hij zijn jachtopziener net zo lang lopen tot de beste man het huis van de Baron niet meer kon zien. Daar mocht het. Maar al speelde het spel zich af buiten het zicht van de Baron, de adellijke status van de gastheren kon geen bezoeker ontgaan.
Eén keer eerder ben ik hier geweest. Op een grijze zaterdagmiddag, lang geleden. Toen voetbalvelden nog van gras werden gemaakt. Toen we voor een uitwedstrijd nog op de fiets naar de andere kant van de stad reden. Toen ik de schroefdraden van mijn noppen nog met vet moest insmeren, zodat ze niet zouden roesten. Zo lang geleden.

Met gebogen schouders zetten we onze fietsen in de stalling onder het druipende lover van monumentale bomen, terwijl vanaf de overkant van de straat de onvoorstelbaar grote huizen voornaam op ons neerkeken. In het kleedlokaal was alles van hout, maar fris geschilderd. Alles ademde de vorige eeuw. De negentiende. Op glanzend gelakte banken luisterden we naar de trainer, die ons vertelde wat de bedoeling was. Hij praatte zachter en bedeesder dan we gewend waren, maar desondanks klonk zijn tuinderstongval hard en onbeholpen, alsof de akoestiek van het vertrek zich er niet voor wenste te lenen.
We liepen naar buiten, waar de zware grasmat kalm en dreigend voor ons lag. Als een ereveld. Langs de lijn sloeg een handvol vaders, weggedoken in de opgeslagen kragen van hun regenjassen, ons welwillend gade. Hun zonen lieten nog op zich wachten. De bal voelde hier anders aan en rolde traag, onwennig. Op het geel en zwart van de gastheren leken de elementen geen vat te hebben, maar onze witte broeken en groene shirts waren na één, twee slidings onherkenbaar. We modderden voort en in de rust kregen we thee uit porseleinen kopjes. Daarna twee onontkoombare doelpunten, begeleid door een beschaafde vreugdekreet van het groepje toeschouwers. De douches waren warm. Met natte haren fietsten we de stad weer uit. We hoorden hier niet, we kenden onze plaats.
Meer dan een half leven later sta ik hier door een merkwaardige speling van het lot opnieuw, in dezelfde stad, op dezelfde plek. Aan de rand van een voetbalveld vertel ik een groep jongemannen wat de bedoeling is. De bomen zijn imposanter dan ooit en de huizen zijn nog altijd onvoorstelbaar groot, maar in hun blik is iets veranderd. Het voorname heeft plaatsgemaakt voor een mengeling van verbazing en achterdocht, misschien omdat ik hier niet hoor en mijn plaats niet ken. Als de ballen en hesjes zijn opgeruimd, loop ik naar de uitgang van het sportpark. Links van me is het clubhuis. Er wordt vergaderd aan een sfeervol verlichte, lange tafel. Verweerde gezichten, grijze haren. De weerspiegeling van mijn eigen hoofd in de ramen glijdt erlangs. We lijken op onze vaders, maar we zijn de zonen. Rechts van me ligt het laatste grasveld. Minder zwaar dan toen en al lang niet meer dreigend. Ik loop langs de fietsenstalling naar de overkant van de straat, stap in mijn auto en rijd de stad in.