Maandelijks archief: november 2025

zachte krachten

Door de jaren heen heb ik John Gorka al met al niet langer dan enkele minuten gesproken. Toch weet ik zeker dat hij tot de sympathiekste mensen behoort die ik ken. Wanneer hij het kleine podiumpje op schuifelt, realiseer ik me dat ik hem te lang niet heb gezien. Dat is jammer voor mij, omdat ik de sympathiekste mensen die ik ken liefst iedere dag in mijn nabijheid heb. Van gemis wordt niemand vrolijk. Maar het bijna ongemerkt verstrijken van tien zomers en tien winters heeft ook bij John zijn sporen nagelaten. 

Ruim dertig jaar geleden ontdekte ik hem. Een intens treurige singer-songwriter die zo nu en dan tot zijn eigen verbijstering ook een happy song schrijft. Dan heb je mij al snel voor je gewonnen, zeker als je je liedjes zingt met een bariton als een kerkklok. Een jaar later ontmoette ik hem in levenden lijve. Een rijzige kerel, een paar jaar ouder dan ik, met een grote bos zwarte krullen en een fluwelen oogopslag. En een stem die ook als hij sprak onweerstaanbaar was. 

Vanavond oogt zijn forse gestalte gebogen en breekbaar, zijn haren zijn grijs en dun geworden en de zon schijnt in Pennsylvania dit jaar niet veel te schijnen. Bij de armzwaai waarmee hij tijdens zijn introduction song (I’m From New Jersey) subtiel refereert aan die andere gigant uit The Garden State, verliest hij bijna zijn evenwicht. Waardoor het alleen maar grappiger wordt. 

Gelukkig heeft zijn stem nog niets aan kracht en ontroering ingeboet. En zijn zinnen zijn nog altijd alleszeggend. Naarmate de jaren vorderen zie je de Italiaanse meisjes die inmiddels op leeftijd zijn helderder dan ooit voor je staan: Now they’ve married and gained some weight, but that weight I appreciate

John had nooit de gewoonte te veel van je tijd in beslag te nemen. Zijn liedjes zijn niet langer dan drie minuten en voor een optreden hoef je ook al geen hele avond vrij te houden. Vanavond, in het piepkleine theater op een steenworp afstand van ons ooievaarsnest, maakt hij geen uitzondering. Tijdens het laatste liedje zingt hij nog een paar keer No kings, bijna fluisterend, alsof hij wil onderstrepen dat uiteindelijk niet de schreeuwers maar de zachte krachten aan het langste eind zullen trekken en dan, na een dik uur, inclusief koffiepauze, zit het erop en verdwijnt hij glimlachend in de coulissen. You might like the gypsy life, people love you when they know you’re leaving soon.

terug op de diepput

In 1898 verhuurde Baron Arnoud van Brienen van de Groote Lindt een klein deel van zijn landgoed aan een clubje voetballers. Om te bepalen waar het voetbalveld moest komen, liet hij zijn jachtopziener net zo lang lopen tot de beste man het huis van de Baron niet meer kon zien. Daar mocht het. Maar al speelde het spel zich af buiten het zicht van de Baron, de adellijke status van de gastheren kon geen bezoeker ontgaan. 

Eén keer eerder ben ik hier geweest. Op een grijze zaterdagmiddag, lang geleden. Toen voetbalvelden nog van gras werden gemaakt. Toen we voor een uitwedstrijd nog op de fiets naar de andere kant van de stad reden. Toen ik de schroefdraden van mijn noppen nog met vet moest insmeren, zodat ze niet zouden roesten. Zo lang geleden. 

Met gebogen schouders zetten we onze fietsen in de stalling onder het druipende lover van monumentale bomen, terwijl vanaf de overkant van de straat de onvoorstelbaar grote huizen voornaam op ons neerkeken. In het kleedlokaal was alles van hout, maar fris geschilderd. Alles ademde de vorige eeuw. De negentiende. Op glanzend gelakte banken luisterden we naar de trainer, die ons vertelde wat de bedoeling was. Hij praatte zachter en bedeesder dan we gewend waren, maar desondanks klonk zijn tuinderstongval hard en onbeholpen, alsof de akoestiek van het vertrek zich er niet voor wenste te lenen. 

We liepen naar buiten, waar de zware grasmat kalm en dreigend voor ons lag. Als een ereveld. Langs de lijn sloeg een handvol vaders, weggedoken in de opgeslagen kragen van hun regenjassen, ons welwillend gade. Hun zonen lieten nog op zich wachten. De bal voelde hier anders aan en rolde traag, onwennig. Op het geel en zwart van de gastheren leken de elementen geen vat te hebben, maar onze witte broeken en groene shirts waren na één, twee slidings onherkenbaar. We modderden voort en in de rust kregen we thee uit porseleinen kopjes. Daarna twee onontkoombare doelpunten, begeleid door een beschaafde vreugdekreet van het groepje toeschouwers. De douches waren warm. Met natte haren fietsten we de stad weer uit. We hoorden hier niet, we kenden onze plaats. 

Meer dan een half leven later sta ik hier door een merkwaardige speling van het lot opnieuw, in dezelfde stad, op dezelfde plek. Aan de rand van een voetbalveld vertel ik een groep jongemannen wat de bedoeling is. De bomen zijn imposanter dan ooit en de huizen zijn nog altijd onvoorstelbaar groot, maar in hun blik is iets veranderd. Het voorname heeft plaatsgemaakt voor een mengeling van verbazing en achterdocht, misschien omdat ik hier niet hoor en mijn plaats niet ken. Als de ballen en hesjes zijn opgeruimd, loop ik naar de uitgang van het sportpark. Links van me is het clubhuis. Er wordt vergaderd aan een sfeervol verlichte, lange tafel. Verweerde gezichten, grijze haren. De weerspiegeling van mijn eigen hoofd in de ramen glijdt erlangs. We lijken op onze vaders, maar we zijn de zonen. Rechts van me ligt het laatste grasveld. Minder zwaar dan toen en al lang niet meer dreigend. Ik loop langs de fietsenstalling naar de overkant van de straat, stap in mijn auto en rijd de stad in.